Diabetes
Het schandaal rond menselijke insuline

Op vrijwel alle terreinen van de geneeskunde worden snel vorderingen gemaakt, maar voor mensen met insulineafhankelijke suikerziekte is er sinds de jaren dertig niet veel veranderd; zij zijn nog steeds aangewezen op dagelijkse injecties met insuline. Hoewel tientallen jaren met succes gebruik is gemaakt van dierlijke insuline, is deze, onder druk van de farmaceutische industrie, vervangen door synthetische ‘menselijke’ insuline. Met als triest resultaat: patiënten zijn veel zieker dan voorheen.

Voor de komst van insuline stierf menig suikerpatiënt, dikwijls veel te vroeg, een pijnlijke dood. Het feit, dat patiënten tegenwoordig lange tijd in leven kunnen worden gehouden, wordt terecht als een overwinning beschouwd. Insuline is echter geen remedie voor diabetes, en het gebruik ervan kent vele negatieve kanten. Zo bestaat het risico van ernstige hypoglycaemie, oftewel een extreme daling van het bloedsuikerniveau, waardoor de patiënt in coma kan raken. Bovendien neemt het gebruik van insuline niet weg, dat de complicaties van suikerziekte, die onder meer uit zenuwbeschadiging, hart-, oog- en nieraandoeningen bestaan, overweldigend kunnen zijn.(1)
In plaats van onderzoek naar alternatieven voor insuline, hebben medicijnfabrikanten de ontwikkeling van verschillende typen insuline en toepassingsmogelijkheden gefinancierd. Zo bestaan er snelwerkende insuline, een soort die langzamer werkt en combinaties van deze twee typen. Naar keuze kan insuline worden toegediend door middel van injecties, een onderhuids ingebrachte insulinepomp of als medicijn dat je moet inhaleren.

Bijwerkingen
De meest schadelijke effecten van insuline zijn het resultaat van de ontwikkeling van alternatieve vormen van insuline. Tot ver in de twintigste eeuw hebben patiënten gebruik gemaakt van dierlijke insuline, voornamelijk afkomstig van varkens en koeien. Hoewel zij zich aan strenge regels dienden te houden, waren deze mensen dankzij het gebruik van dierlijk insuline in staat om relatief normale levens het leiden.
Onderzoek van medicijnfabrikanten leidde vijftien jaar geleden tot de ontwikkeling van een nieuw type insuline, gebaseerd op menselijke proteïnen. Wetenschappers roemden de nieuwe insuline als een doorbraak. Ondanks het feit dat deze substantie in het laboratorium wordt samengesteld, hielden zij vol dat de nieuwe synthetische ‘menselijke’ insuline bijna identiek was aan de natuurlijke dierlijke variant. In feite verschilt deze insuline van de dierlijke variant in slechts één van 51 aminozuurresiduen. De doorbraak was meer een esthetische triomf dan een medische. Bijna zo gauw als het middel op de markt was, ontdekten mensen die de overstap maakten dat hun gezondheid achteruit ging.
Het meest verontrustende aspect van het gebruik van menselijke insuline is, dat de patiënt zich minder bewust lijkt van een naderende hypoglycaemie episode, oftewel een extreme daling van het bloedsuikerniveau, die tot bewusteloosheid kan leiden en medische interventie noodzakelijk maakt. Begin jaren negentig hebben patiënten melding gemaakt van persoonlijkheidsverandering, onder meer gekenmerkt door opwellingen van agressie. In Engeland zijn rechtszaken tegen de fabrikanten van menselijke insuline aangespannen.(2) Deze juridische stappen liepen echter op niets uit, ook al nam het aantal klachten van patiënten toe.

‘De ontwikkeling van ‘menselijke’ insuline was meer een esthetische triomf dan een medische; mensen die het middel gingen gebruiken, merkten dat hun gezondheid achteruit ging.’

In de periode 1986 tot 1989 heeft de British Diabetic Association (BDA) – die als taak heeft patiënten te informeren, adviseren en hun belangen te behartigen – ongeveer 3.000 brieven ontvangen, waarin mensen hun beklag doen over menselijke insuline. Dit was voor de organisatie aanleiding om een onderzoeksteam opdracht te geven de inhoud van de brieven te analyseren en een onafhankelijk rapport op te stellen. De publicatie van dit rapport in het British Medical Journal, in 1993, werd echter plotseling verhinderd, omdat de inhoud ‘te alarmerend’ zou zijn. Zes jaar later wist een journalist van het dagblad The Guardian de hand op het rapport te leggen en werd het alsnog openbaar gemaakt.(3)

Het krantenartikel bevat aangrijpende beschrijvingen van de mate waarin de kwaliteit van het leven van patiënten achteruit was gegaan na de overschakeling van dierlijke op synthetische menselijke insuline. Tachtig procent van de mensen die een brief aan de BDA hadden geschreven, had daarin te kennen gegeven, dat zij de symptomen van hun ziekte niet langer onder controle hadden en geen waarschuwingstekenen van een ophanden zijnde coma meer gewaar werden. Op grond van deze getuigenissen concludeerden de onderzoekers, onder meer, dat:
• De helft van de patiënten tijdens een hypoglycaemie episode niet aanvoelde dat bewusteloosheid volgde
• Een kwart van hen vaker dan voorheen dergelijke episodes had
• Eén op de vijf patiënten ernstiger episodes had
• Tien procent aan geheugenverlies leed
• Negen procent niet goed meer in staat bleek om zich te concentreren
Sommige patiënten verloren hun baan; anderen werd verlenging van hun rijbewijs geweigerd, omdat zij tijdens een hypoglycaemie episode betrokken raakten bij een verkeersongeluk.

Tegenwerking van artsen
Nog verontrustender is, dat de klachten van vele van deze suikerpatiënten niet door hun artsen werden erkend. Hoewel ongeveer een vijfde van de patiënten opnieuw dierlijke insuline ging gebruiken, weigerden vele artsen om deze overstap te vergemakkelijken of lieten hun patiënten abusievelijk weten dat dierlijke insuline niet meer beschikbaar was. In een aantal gevallen raakte de relatie tussen arts en patiënt verstoord, omdat de patiënt het gevoel had niet serieus te worden genomen.

Problemen met synthetische insuline zijn ook opgemerkt door andere experts. Janny Hirst, medevoorzitter van de Britse Insulin Dependent Diabetes Trust (IDDT) en Trustee van de BDA op het moment dat hun rapport werd opgesteld, sprak in oktober 1977 op een door de Consumers for Ethics in Research (CERES) georganiseerde conferentie. Daar onthulde zij, dat de overschakeling op synthetische insuline in veel gevallen plaats had zonder dat de patiënt hiervan door de arts op de hoogte werd gebracht, of na het verstrekken van gebrekkige informatie. Hirst: ‘Patiënten ontvingen een brief, of kregen zonder voorafgaande waarschuwing andere insuline van hun apotheker. Onze artsen namen aan, dat ‘menselijke’ insuline goedkoper en beter zou zijn – veronderstellingen die niet door bewijzen worden gestaafd, afgezien van de verkoopcijfers van medicijnfabrikanten.’ Voor Janny Hirst was de misleiding van patiënten reden om zich terug te trekken uit de BDA en de Insulin Dependent Diabetes Trust op te richten, om betere informatie voor diabetici te vergaren en te verspreiden.
Van de klachten van patiënten heeft de medische professie echter weinig notie genomen, en het is vandaag de dag vrijwel onmogelijk om dierlijke insuline te verkrijgen. Fabrikant Eli Lilly and Company is in 1998 gestopt met de productie van insuline die deels van varkens en deels van runderen afkomstig is. Omdat officieel follow-up onderzoek naar de conditie van mensen die van dierlijke insuline op de synthetische variant zijn overgeschakeld schaars is, zullen we waarschijnlijk nooit een duidelijk beeld krijgen van de mogelijke consequenties van deze verandering.

Te weinig onderzoek
Het schandaal rond synthetische menselijke insuline bestaat voornamelijk uit het feit dat het op basis van summier onderzoek is geïntroduceerd. De eerste gepubliceerde studie, waaraan zeventien mannelijke diabetici deelnamen, dateert uit 1980.(4) Nauwelijks twee jaar later werd menselijke insuline reeds gepatenteerd. Gezien het feit dat dit het eerste genetisch geproduceerde medicijn is dat ooit aan mensen is toegediend, is dit een opmerkelijk korte tijd.
Bewijs, dat aantoont dat synthetische menselijke insuline voordelen heeft boven dierlijk insuline, is nooit geleverd. De studies die er zijn, zijn voornamelijk door medicijnfabrikanten gefinancierd en kunnen derhalve niet als objectief worden beschouwd. Gezien het aantal mensen dat afhankelijk is van insuline om te kunnen leven, is de schaarste aan grootschalig en langdurig onderzoek een zaak van groot belang, die ‘menselijke’ insuline blijft achtervolgen. Aan de meeste studies naar de efficiëntie van dit type insuline hebben niet meer vijftig patiënten deelgenomen(5), terwijl het laagste aantal deelnemers zeventien bedraagt.(6) Het mag duidelijk zijn, dat aan de hand van dermate beperkte studies geen gedegen overzicht kan worden gegeven van de mogelijke consequenties van het gebruik van het medicijn.
Ondanks het feit, dat het anekdotisch bewijs voor de problemen met menselijke insuline zich blijven opstapelen, verdedigen de medische professie en overheidsinstanties met verve het gebruik ervan.(7) En terwijl diabetici het gebruik van insuline graag zouden willen verminderen, zijn er aanwijzingen dat de voorschriften voor het verstrekken van insuline aan patiënten door artsen steeds ruimer worden geïnterpreteerd.

‘Aangezien ‘menselijke’ insuline het eerste genetisch geproduceerde medicijn is dat ooit aan mensen is toegediend, is een ontwikkelingsfase van nauwelijks twee jaar opmerkelijk kort.’

In het kader van onderzoek in de Verenigde Staten, wordt aan mensen met een hoog risico van het ontwikkelen van insulineafhankelijke diabetes uit voorzorg menselijke insuline gegeven, zelfs voordat zij tekenen van de ziekte vertonen. Deelnemers aan deze onderzoeken zijn deels geselecteerd op basis van genetisch risico. Echter, slechts vijf tot tien procent van de gevallen van insulineafhankelijke suikerziekte is het resultaat van genetische risico. Het is en blijft vooralsnog de vraag wat het synthetische middel in een gezond lichaam kan aanrichten.

Chirurgische behandelingen
De controverse van dierlijke versus ‘menselijke’ insuline overschaduwt het feit, dat er op het gebied van onderzoek naar nieuwe behandelmethoden van insulineafhankelijke diabetes bijzonder weinig vordering is gemaakt. Een aantal prominente onderzoekers houdt zich bezig met onderzoek naar chirurgische oplossingen, zoals transplantatie van de pancreas en, meer recent, transplantatie van de insulineproducerende bètacellen van de pancreas. Voor de meerderheid van de patiënten is geen van deze methoden echter een reële optie gebleken.(7)

Transplantatie van de pancreas is duur en heeft een laag slagingspercentage. In veel gevallen is deze ingrijpende operatie gereserveerd voor degenen van wie de condities zodanig zijn verslechterd, dat zij niet veel meer te verliezen hebben. Aangezien twintig tot 25 procent van deze ingrepen niet tot het gewenste resultaat leidt(8), is en blijft transplantatie vooralsnog een riskante methode.

Transplantatie van bètacellen is een minder ingrijpende operatie, maar het slagingspercentage is zelfs nog lager. Van de 267 transplantaties die in de laatste tien jaar zijn uitgevoerd, heeft slechts 12,4 procent geresulteerd in insulineafhankelijkheid voor meer dan een week, en slechts 8,2 procent heeft tot insulineafhankelijkheid voor perioden langer dan een jaar geleid.(9)

Het lijkt erop, dat er voor elke ontvanger meer dan één donorpancreas nodig is, om voldoende insulineproducerende bètacellen uit de pancreas te kunnen isoleren die via de poortader worden getransplanteerd. Helaas zijn er onvoldoende donors, of het nu dierlijke of menselijke betreft, om te voorzien in de bijna een miljoen bètacellen die nodig zijn per patiënt.(10)

Voor beide typen transplantaties geldt, dat het moeilijk is om manieren te vinden om afstoting te vermijden. Ook al zijn de transplantaties succesvol, dan kan dit betekenen, dat de suikerpatiënt in plaats van levenslang gebruik van insuline, voor de rest van zijn leven afhankelijk is van medicijnen die de werking van het immuunsysteem controleren. Deze medicatie brengt echter een groter risico van kanker en infecties met zich mee.

Regeneratie van insulineproducerende cellen
Type I diabetes wordt veroorzaakt door een auto-immuun reactie die gericht is op de insulineproducerende bètacellen in de pancreas. Vanaf de geboorte – en volgens sommigen al voor de geboorte – beginnen deze cellen bij een toekomstig diabeticus af te sterven, totdat deze persoon niet meer in staat is om zelf de insuline te produceren die nodig is voor het transport van glucose naar de cellen van het lichaam. Dit stadium wordt in de meeste gevallen al voor de leeftijd van dertig jaar bereikt. Voor deze mensen geldt, dat het lichaam letterlijk afsterft, terwijl het verstoken blijft van de energie van glucose die nodig is om de normale functies uit te oefenen.

De grote vraag is, gegeven de juiste condities, zijn insulineproducerende bètacellen in staat om te reproduceren? Vele wetenschappers geloven dat zij dat zijn – tenminste, in theorie. Er is, bijvoorbeeld, een dramatische natuurlijke toename van het aantal bètacellen bij vrouwen tijdens de zwangerschap.(11) Deze regeneratie lijkt te worden getemperd door hormonen zoals prolactine, die de bètacellen aanvallen en ervoor zorgen, dat ze zich gaan vermenigvuldigen. Wetenschappers zijn tevens, op verschillende manieren, in staat gebleken om bètacellen te regenereren door middel van dierproeven.(12) Onderzoek bij mensen is er eenvoudig niet. Wat ook ontbreekt is concrete informatie over de effecten van een deze auto-immuun response, en hoe deze kunnen worden gecorrigeerd, zodat het proces van bètaceldestructie niet wordt herhaald.

Alternatieve behandelmethoden
Onderzoek naar insulineafhankelijke suikerziekte is voornamelijk gericht op medicijnen, chirurgie en genetische manipulatie, en behoudend van aard. Om het onderzoeksterrein te verbreden, heeft de Wereldgezondheidsorganisatie in 1980 aan onderzoekers gevraagd om traditionele geneeswijzen opnieuw te bestuderen. Aangezien suikerziekte voor 1922 uitsluitend met behulp van de botanische geneeskunde onder controle kon worden gehouden, hoopte men, door de behandelmethoden van weleer onder de loep te nemen, een manier te vinden om de insulineafhankelijkheid van patiënten te verlagen.

De meest positieve onderzoeksresultaten komen voor uit studies naar een plant die van oorsprong uit India komt, Gymnema sylvestre. Al meer dan tweeduizend jaar worden de bladeren van deze plant gebruikt voor de behandeling van diabetes, en sinds de jaren dertig is deze remedie relatief uitgebreid bestudeerd. In het kader van een van de vele studies kregen 27 diabetici tien tot twaalf maanden lang dagelijks 400 milligram van een in water oplosbaar extract van bladeren van Gymnema. De behoefte aan insuline nam met bijna vijftig procent af en de gemiddelde bloedsuikerniveaus daalden van 232 naar 152 milligram glucose per deciliter bloed. Ook de hoeveelheid cholesterol, triglycerides en amylase – een enzym dat suiker afbreekt – namen aanmerkelijk af. Daarentegen bleven deze biochemische normen hoog bij patiënten die alleen insuline gebruikten.(13)

Uit twee studies naar het effect bij dieren blijkt, dat het aantal bètacellen in de pancreas van diabetische ratten door toediening van een extract van Gymnema verdubbelde, waarmee de theorie wordt ondersteund, dat Gymnema de uitscheiding van insuline verhoogt door het regenereren van bètacellen.(14) Hoe bemoedigend deze resultaten ook zijn, toch is het een feit dat onderzoek bij dieren vaak niet van toepassing is op mensen.

Onderzoek bij dieren heeft ook uitgewezen, dat Gymnema effectief is ter verlaging van het bloedsuikerniveau bij milde tot matige diabetes – waarbij er nog sprake is van enige bètacelactiviteit. Uit een studie naar de behandeling van ratten met ernstige diabetes leidde het gebruik van Gymnema tot beduidende verlenging van het leven.(15)

De resultaten van de eerste studies naar Gymnema waren zo indrukwekkend, dat het Amerikaanse bedrijf Pharma Terra zich sterk heeft gemaakt voor een remedie op basis van extracten van de plant. ProBeta, zoals de productnaam luidt, is sinds 1998 op de markt en verkrijgbaar in tabletten van 250 milligram. Het verschil met andere producten van Gymnema is dat er niet een standaard concentratie gymnemic acid bevat.
‘Gymnemic acid’ is niet een enkel zuur, maar een verzamelnaam voor een serie chemicaliën die in de bladeren van de plant voorkomt. Terwijl van enkele chemicaliën bekend is, dat ze de absorptie van glucose door de wanden van de dunne darm, bevat de plant ook chemicaliën die de absorptie van andere voedingsstoffen kunnen verhinderen en de regeneratie van de pancreas kunnen beperken. ProBeta, zo beweert de fabrikant, is ontwikkeld om mogelijk schadelijke effecten van gymnemic acid tegen te gaan.

‘Voor de ontdekking van insuline, in 1922, werd suikerziekte met behulp van plantengeneeskunde onder controle gehouden; dankzij bepaalde kruiden kan de insulineafhankelijkheid met vijftig procent worden gereduceerd.’

Ander veelbelovend botanisch onderzoek is gericht op Momordica charantia (bittere meloen, bittere pompoen), afkomstig uit China, India en Afrika, waar extracten van de plant al eeuwenlang voor medicinale doeleinden worden gebruikt. Momordica bevat vele actieve ingrediënten(16) en is qua structuur en farmacologisch vergelijkbaar met insuline van runderen.(17) Toen één van de actieve ingrediënten, p-insuline, aan negen diabetische patiënten werd gegeven, stelden onderzoekers na dertig tot zestig minuten een met insuline van runderen vergelijkbare werking vast, en een hypoglycaemie effect dat na vier uur een hoogtepunt bereikte, vergeleken met twee tot drie uur bij gebruik van normale insuline.(18)

De hypoglycaemische effecten van deze plant lijken voor een deel te danken aan extra pancreas activiteit, inclusief toename van het gebruik van glucose door de lever, afname van de synthese van glucose door depressie van key gluconeogenic enzymen en betere oxidatie van glucose.

Nicotinamide – een nieuwe vitaminetherapie
Sinds 1987 is meermaals onderzoek gedaan naar de mate waarin nicotinamide (niacinamide) de destructie van bètacellen kan voorkomen bij patiënten die sinds korte tijd weten dat zij type I diabetes hebben. Hieruit blijkt, dat supplementen van nicotinamide de behoefte aan insuline niet verminderen(1), maar in aanvang de ontwikkeling van insulineafhankelijke suikerziekte aanzienlijk vertragen.(2)
In één van de studierapporten staat, dat nicotinamide bijdraagt tot verlenging van remissie na de eerste diagnose – een bekend fenomeen bij nieuwe patiënten, hetgeen inhoudt, dat de behoefte aan insuline afneemt of tijdelijk verdwijnt. Binnen een jaar tijd neemt de afhankelijkheid van insuline echter weer toe.(3) Uit andere studies is gebleken, dat het functioneren van bètacellen aanzienlijk verminderde, nadat de therapie werd onderbroken.(4)
Het beeld is echter niet geheel rooskleurig. Nicotinamide kan ongewenste neveneffecten hebben. Zo is uit een kleine studie gebleken, dat de sensitiviteit van insuline door het gebruik van supplementen van nicotinamide met bijna 25 procent kan verminderen.(5) Dit effect is niet door latere studies bevestigd, maar vormt niettemin aanleiding voor verder onderzoek.

1. Diabetes Care, 1996; 19: 1357-63 Diabetologia, 1995; 38: 848-52
2. Recenti Prog Med, 1994; 85: 513-6 J Pediatr Endocrinol Metab, 1996; 9: 501-9
3. Diabetologia, 1989; 32: 316-21
4. Diabet Metab, 1995; 21: 47-9
5. Diabetes, 1996; 45: 1631-4


Verscheidene dierproeven hebben de bloedsuikerverlagende effecten van extracten van Momordica bevestigd(19), maar er zijn ook studies die het tegendeel hebben uitgewezen.(20) Volgens een recente studie met diabetische ratten leidt het gebruik van bittere meloen er, net zoals Gymnema, toe, dat bètacellen worden geregenereerd.(21) Ook hier geldt, dat dit niet vanzelfsprekend van toepassing is op mensen.

Niemand suggereert, dat diabetici met het gebruik van insuline moeten stoppen en in plaats daarvan kruiden zouden moeten gaan gebruiken. Botanisch onderzoek voorziet in verschillende reden om anders over diabetes te gaan denken en deze ziekte op een andere manier te benaderen. De studies naar nieuwe therapieën voor diabetes – zowel conventionele als botanische,– die op dit moment worden uitgevoerd, zijn klein en er worden teveel dieren voor gebruikt, terwijl we juist gegevens van onderzoek bij mensen nodig hebben.

Pat Thomas

1. Diabetes, 1999; 48: 2107-21
2. MIMS, 1 augustus 1991: 12-3
3. The Guardian, 9 maart 1999
4. The Lancet, 1980; ii: 398-401
5. The Lancet, 1992; 339: 1432-5
6. BMJ, 1993; 1992; 305: 355-7
7. J Mol Med, 1999; 77: 148-52
Transpl Proc, 1998; 30: 1940-3
8. Transpl Proc, 1992; 24: 762-6
9. Brendel M et al, International Islet Transplant Registry Report, University of Giessen, 1999; 1-20
10. N Eng J Med, 2000; 343: 230-8
11. J Mol Med, 1999; 77: 62-6
12. Diabetes, 1988; 37: 334-41
Pancreas, 2000; 21: 63-8
13. J Ethnopharmacol, 1990; 30: 281-94
14. J Ethnopharmacol, 1986; 18: 143-6
15. Isr J Med Sci, 1985; 21: 540-2
16. Uppsala J Med Sci, 1977; 82: 39-41
17. J Nat Med, 1993; 4: 16-21
18. Uppsala J Med Sci, 1977; 82: 39-41
19. Pharmacol Res, 1996; 33: 1-4
Biochem J, 1993; 292: 267-70
20. Plants Med, 1990; 56: 426-9
21. Diabetes Res Clin Pract, 1998; 40: 145-51


Wat veroorzaakt diabetes?
Bij slechts tien procent van alle diabetici die van insuline afhankelijk zijn, komt de ziekte in de familie voor. In het merendeel van de gevallen, zo luidt de meest overtuigende theorie, houdt diabetes verband met het functioneren van het immuunsysteem. De veronderstelling dat suikerziekte een auto-immuunziekte is, wordt onder meer gesteund door de vaststelling, dat 75 procent van de diabetici antilichamen tegen cellen van de alvleesklier heeft, terwijl dit slechts voor 0,5 tot twintig procent van de mensen geldt die deze ziekte niet hebben.(1)
Het immuunsysteem kan op velerlei manieren worden ontregeld. Auto-immuun reacties kunnen worden ontketend door infecties, zoals pertussis, hepatitis, rode hond, en door virussen, zoals herpes, Epstein-Barr, het coxsackievirus, en cytomegalovirus. Vanwege dit verband met virussen is een aantal onderzoekers ervan overtuigd geraakt, dat wereldwijde vaccinatieprogramma’s een rol zouden kunnen spelen bij de ontwikkeling van diabetes.
Er bestaat ook een theorie, dat het proces van auto-immuun destructie kan worden ingeleid door medicijnen voor zwangere vrouwen, zoals synthetische hormonen voor het inleiden van de bevalling en pijnverlichtende medicijnen, zoals de ruggenprik – behalve pethidine.(2) Insulineafhankelijke suikerziekte is recent in verband gebracht met allergie voor koeienmelk, een verband dat alleen leek te bestaan voor suikerziekte waarbij er geen sprake is van insulineafhankelijkheid.
Volgens vele specialisten, zoals Leo Galland van de adviesraad van ‘Wat artsen je niet Vertellen’, is salpeteroxide een belangrijke mediator bij de ontwikkeling van insulineafhankelijke suikerziekte.
“Te weinig salpeteroxide zou tot een hoge bloeddruk, arteriosclerose en mannelijke impotentie kunnen bijdragen” zegt Galland. “Hoewel een gematigde productie van salpeteroxide belangrijk is voor het normaal functioneren van cellen, zouden hoge niveaus extreem giftig zijn en de eigen lichaamscellen kunnen doden, waardoor iemand in shock kan geraken.” Hoge niveaus van salpeteroxide kunnen pancreatische bètacellen doden of de groei ervan beperken. Recent is vastgesteld, dat destructie van de pancreas door salpeteroxide kenmerkend is voor de eerste stadia in de ontwikkeling van diabetes.(3)

1. Murray M, Pizzorno J, Textbook of Natural Medicine, Seattle: John Bastyr College Publications, 1988
2. Landymore-Lim L, Poisonous Prescriptions, PODD, 1994
3. The Lancet, 1994; 343: 1199-206

Insuline – minder is meer
Voor suikerpatiënten zou het de moeite waard kunnen zijn om met de behandelend arts te bespreken of de dagelijkse doses insuline kunnen worden verlaagd, aangezien uit onderzoek is gebleken, dat sommige diabetici teveel insuline gebruiken.
Als een patiënt zijn of haar bloedsuikerniveau in het ziekenhuis laat meten, worden in sommige gevallen hogere waarden geregistreerd dan wanneer dit thuis gebeurt. Deze zogenaamde ‘witte jassen hyperglykemie’ is een goed gedocumenteerd fenomeen(1), en kan de reden zijn dat een arts teveel insuline voorschrijft.
Sommige artsen geven uit voorzorg insuline, ook al staat het niet vast, dat profylactische insuline veilig of effectief is. Daarentegen is wel bekend, dat een overmaat aan insuline op termijn ernstige problemen veroorzaakt, zoals neurologische complicaties, oogaandoeningen, nieraandoeningen, aantasting van zenuwen en cardiovasculaire ziekte. Deze neveneffecten zijn de belangrijkste oorzaak van sterfte onder diabetici die van insuline afhankelijk zijn.
Behalve van een beperkte insulineproductie, kan er ook sprake zijn van resistentie tegen insuline. In dat geval is extra insuline mogelijk niet de juiste oplossing. De resistentie tegen insuline kan verhogen door bepaalde invloeden van buitenaf, zoals het roken van sigaretten, vetzucht en een hoge bloeddruk. Hoewel je als suikerpatiënt je levensstijl moet aanpassen en waarschijnlijk nooit geheel van insuline afkomt, zou je in staat kunnen blijken om de hoeveelheid die je dagelijks nodig hebt te verminderen.

1. MD Med J, 1990; 39: 555-9 BMJ, 1992; 305: 1194-6

Alternatieven: de behoefte aan insuline op een natuurlijke manier verminderen
De hoeveelheid insuline die een patiënt nodig heeft, hangt in belangrijke mate af van zijn of haar levensstijl. Om de behoefte aan insuline te verminderen, zou je de volgende maatregelen kunnen overwegen:
Let op je voeding. De samenstelling van jouw dieet kan van grote invloed zijn op de behoefte aan insuline. Voor diabetici geldt, dat zij ernaar zouden moeten streven dat de dagelijkse hoeveelheid calorieën voor 55 tot zestig procent afkomstig is van koolhydraten.(1)
Adequate hoeveelheden in water oplosbaar vezel lijken een belangrijk bestanddeel van een dergelijk dieet te vormen. In een onderzoek is gebleken, dat een vetarm dieet, dat veel vezels en complexe koolhydraten bevat, plus 4,2 gram vezelgelei in de vorm van glucomannan, tot aanmerkelijke verbetering van de controle van het bloedsuikerniveau, de behoefte aan insuline en het niveau van HDL cholesterol leidt. Dit geldt voor patiënten die afhankelijk zijn van insuline, maar niet voor patiënten die orale medicatie gebruiken.(2) Pectine uit appels blijkt ook tot een verminderde behoefte aan insuline en verbeterde controle van het bloedsuikerniveau te leiden(3), hoewel niet alle betreffende studies tot positieve resultaten hebben geleid.(4)
Stop met roken. Het is wetenschappelijk aangetoond, dat rokers tien tot vijftien procent meer insuline en concentraties van serum triglyceride nodig hebben dan niet-rokers. Bij zware rokers kan de behoefte aan insuline dertig procent groter zijn.(5)
Train niet te intensief, maar weloverwogen. Diabetici die van insuline afhankelijk zijn kunnen baat hebben bij lichamelijke oefening, hoewel dit ook een averechts effect kan hebben. Bij sommige patiënten stijgt het bloedsuikerniveau onder invloed van fysieke inspanning. Dit geldt met name voor degenen die, voordat zij met training begonnen, een bloedsuikergehalte van meer dan 250 milligram per deciliter bloed hadden, hetgeen kan resulteren in ketoacidosis.(6) Voorafgaand aan intensieve lichaamsoefening zouden keton niveaus in de urine van patiënten moeten worden gemeten.
Sporten houdt voor diabetici, met name voor mensen van veertig jaar en ouder, het risico in, dat een bestaand cardiovasculair probleem zich openbaart. Door fysieke inspanning kunnen ook oogaandoeningen ontstaan. Tenslotte kan er sprake zijn van verlaging van het bloedsuikerniveau, toename van de gevoeligheid voor insuline en verbetering van de cardiovasculaire functie.
Denk eraan: het is niet nodig om intensief te trainen. Tai Chi en joga kunnen evenals meer inspannende oefening, zoals joggen, tot verbetering van de kracht en flexibiliteit leiden.
• Probeer andere kruiden, zoals Coccina indica, waarvan middels dierproeven is aangetoond, dat het voor verlaging van het bloedsuikergehalte zorgt, in dezelfde mate als bitter melon.(7) Tricosanthes dioica heeft een vergelijkbaar effect.(8) Ginkgo biloba zou de ontwikkeling van retinopathie kunnen helpen voorkomen.(9)
Tenslotte, dierproeven met extracten van twaalf planten, die van oudsher in Europa bij de behandeling van diabetes worden gebruikt, hebben uitgewezen, dat slechts drie – guayusa, champignon en brandnetel – enig effect hadden op insulineafhankelijke suikerziekte. Ilex guayusa (guayusa) en Agaricus bisporus (gecultiveerde paddestoel) bleken de ontwikkeling van een hoog bloedsuikerniveau bij diabetische muizen te vertragen. Ook de hypoglycaemie effecten van toegediende insuline verbeterden.(10) Andere onderzoekers stelden middels dierproeven vast, dat het gebruik van Urtica dioica (nettles) tot verhoging van het bloedsuikerniveau leidt.(11)

1. J Am coll Nutr, 1989; 8: S61-7
2. Int Clin Nutr Rev, 1988; 8: 140-6
3. Diabet Metab, 1982; 8: 187-9 The Lancet, 1976; ir. 172-4
4. Diabetes Care, 1984; 7: 143-6
5. Diabetes Care, 1980; 3: 41-3
6. Am Faro Phys, 1996; 53: 1611-6
7. Biochem J, 1993; 292: 267-70; Plants Med, 1990; 56: 426-9
8. Indian J Med Res, 1989; 90: 300-5
9. Lens Eye Toxic Res, 1992; 9: 521-8
10. Diabetes Res, 1989; 10: 69-73
11. Arch Med Res, 1992; 23: 59-64